zondag 28 juni 2009

Leve het vooroordeel

Leve het vooroordeel

Waarom vooroordelen noodzakelijk zijn tegen de verharding van het debat

Tussen Keulen en Parijs, ligt de weg naar Rome. Al wie met ons mee wil gaan, die moet onze manieren verstaan. Dat zongen we vroeger, en in het huidige integratiedebat zingen velen het nu weer.
Een van die manieren is de vrijheid van meningsuiting. Die moet onbegrensd zijn, ook als dat inhoudt dat mensen die met elkaar leven in een kleine ruimte, elkaar de meest vreselijke dingen naar het hoofd slingeren. Over elkaars leven, overs ons recht.
Twee kanten van die vrijheid van meninguiting staan tegenwoordig lijnrecht tegenover elkaar. De ene leidt tot een grootscheeps individualisme, een samenleven waarin elke samenhang zoek is en het grote wegkijken. Jarenlang durfde men niets te zeggen van de ander en leefden culturele groepen steeds meer langs elkaar heen.
Maar nu we niet meer om elkaar heen kunnen slaat dit om in de grote verharding. Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg en nu gaat de rechter bepalen hoever wij wettelijk mogen gaan in het zeggen wat we denken en het beledigen van elkaar.

Dat was volgens de Britse psychiater Theodor Dalrymple allemaal niet nodig geweest. Dergelijke taferelen hadden voorkomen kunnen worden als we de afgelopen decennia niet zo'n panische angst voor vooroordelen hadden ontwikkeld. Onbevooroordeeld zijn, een open houding tegenover alles en iedereen, niets en niemand in hokjes plaatsen; het klinkt zo vroom en sociaal maar het is volgens Dalrymple het begin van de grote verharding, van een samenleving waarin de grootste en sterkste ego's overleven.
Maar de weerzin tegen vooroordelen geldt ook aloude gewoonten, zoals in de trein je voeten niet op het bankje tegenover leggen of elkaar een hand geven bij een ontmoeting. Uitbanning van aangeleerd gedrag en het vooroordeel dwingt een ieder zijn handelen te baseren op hoogstpersoonlijke, rationele keuzen, stelt hij in zijn boek Leve het vooroordeel.
Vooroordelen helpen om de wereld te ordenen tot een overzichtelijk geheel in plaats van een brei van losse feiten. Daardoor helpen ze bij het onderscheid tussen goed en kwaad, vreemd en vertrouwd, gevaarlijk en veilig.
Zonder vooroordelen als instrument om de wereld te ordenen zouden we ieder feit en iedere situatie afzonderlijk als even belangrijk moeten beoordelen. Vooroordelen vormen een zacht stootkussen tussen ons waarnemingsvermogen en de rauwe werkelijkheid. Een vooroordeel is dan ook iets anders dan een stereotypering. Dit laatste is een vastomlijnd idee over de ander of iets wezensvreemds, met uitspraken als 'zwarten zijn lui' of 'alle Groningers zijn onbetrouwbare pragmatisten'. Een vooroordeel kan altijd worden bijgesteld, maar biedt ondertussen wel vastigheid.
Zonder dit stootkussen van omlijnde ideeën omtrent samenleven waarover een brede consensus bestaat, ontaardt het samenleven in een discours dat alleen nog maar gaat over welke rechten we hebben. Alles wat niet verboden is wordt een recht, en plotseling vult de wereld zich met rechten. 'Rechten dijen zo uit om te beantwoorden aan de ego's van van mensen voor wie vrijheid niets anders is als onbelemmerd handelen', aldus Dalrymple.
Vooroordelen geven mensen karakter en houden hen bijeen. Wie een beeld van de wereld heeft dat vanuit bepaalde, redelijke denkkader ontstaan is zal beter in staat zijn de wereld tegemoet te treden, ook als er zich onverwachte of onplezierige situaties of veranderingen voordoen. Wie radicaal met alle vooroordeel heeft afgerekend zal in zo'n situatie nauwelijks een ijkpunt hebben om de veranderingen aan af te meten. Hij zwom al, en wordt nu in een nieuwe zee gegooid.


In het Nederlandse integratiedebat, waar Dalrymple overigens niet over schrijft, zijn jarenlang de meest normale vooroordelen angstvallig onder de tafel geveegd. Het elkaar in je waarde laten werd wegkijken van andere groepen of ze juist doodknuffelen. Nu dit en de bijbehorende problemen, zoals grote groepen allochtonen die nauwelijks zijn geïntegreerd, aan het licht komt moeten ze opeens het land uit, of mogen ze hun culturele of godsdienstige uitingsvorm niet meer praktiseren. Nederland moet weer het veilige, blanke land van enige tientallen jaren geleden worden.
Hier dringt zich het verschil tussen de conservatief en de reactionair op. Een conservatief is iemand die met lede ogen veranderingen of revoluties aanziet, maar beseft dat dit de realiteit is en dat daarmee, met behoud van zoveel mogelijk verworvenheden uit vorige tijden, de weg naar de toekomst moet worden ingeslagen. De reactionair daarentegen zal, alles op alles zetten om de oude situatie te herstellen.
Dit gebeurde in Frankrijk na de val van Napoleon, waar de elite van voor de revolutie het de koninklijke dynastie van het ancien regime weer op de troon zette. En wellicht in Nederland, waar in het kielzog van Pim Fortuyn de roep om terugkeer naar de warme jaren '50 veel werd gehoord. En ja, toen waren er ook geen moslims in Nederland en was alles overzichtelijk en lekker kneuterig. Conservatisme hecht aan wat er al was, bouwt graag op een stevig fundament en zal kritisch kijken naar alles wat zich als vernieuwend aandient. Maar door dat fundament kan het zich permitteren een zekere openheid te hebben naar nieuwe elementen, en is het in staat goede en nuttige vernieuwingen te incorporeren. En als het moet ook de vernieuwingen die onvermijdelijk zijn. Reactionisme grijpt snel naar stereotypen en dan kan het moddergooien beginnen. De rechter zal binnenkort uitmaken hoe ver de vuiligheden mogen gaan die we elkaar naar het hoofd slingeren. Het zal van groot belang zijn voor de vraag wat onze manieren zullen worden.

Theodor Dalrymple
Leve het vooroordeel
Uitg. Nieuw Amsterdam, augustus 2008
143 p.

Geschiedenis van Groningen

Geschiedenis van Groningen sluit naadloos aan bij recente ontwikkelingen in de beeldvorming rond vaderlandse geschiedenis. De verhalen van Jongens van Jan de Witt die met hun VOC-mentaliteit worstelden en bovenkwamen en ons land uit de klei, het moeras en de veengrond trokken, liggen achter ons. De aandacht gaat nu uit naar hoe Nederland zich ontwikkelde in de context van de omringende landen en het Europese continent, en hoe Nederland kon uitgroeien tot met name een economische grootmacht. Pragmatisme en zakelijkheid blijken telkens weer de grootste deugden van Nederlanders te zijn, heldendom is uit.
Daarbij waren de Nederlanden geografisch uitstekend gesitueerd en was de situatie binnenslands relatief rustig en eensgezind, ondanks de oorlog met de Spanjaarden vanaf 1566. Zeker vergeleken met een buurland als het Duitse Rijk, waar de godsdienstoorlogen vele malen heviger woedden.
Groningen ontwikkelde zich in de Middeleeuwen, vooral in de vijftiende en zestiende eeuw, tot een rijke en machtige stad. Het domineerde een zeer uitgebreid gebied, dat liep van West-Friesland tot aan Sleeswijk-Holstein. De dichtstbijzijnde concurrent was Bremen. Vanwege de economische en politieke macht die de stad uitoefende over haar ommelanden was Groningen in feite een stadstaat, vergelijkbaar met Venetië of Lübeck.

Met alle winden mee
Tegelijk was Groningen een uithoek van afwisselend het Duitse Rijk, de Bourgondische Kreis, de Republiek der Nederlanden en later Nederland, al naar gelang het uitkwam. Het kon het zich door zijn perifere ligging een verregaand pragmatisme veroorloven bij positiekeuzen in politieke en later ook godsdienstige conflicten. De stad waaide het liefst mee met de meest gunstige wind en keek eerst de kat uit de boom alvorens te besluiten waar ze nu eens bij wilde horen. Tot 1672 was aansluiting bij het Duitse Rijk zelfs een serieuze optie.
De positiekeuze van enerzijds Stad en anderzijds Ommelanden hing ook vaak af van wat de ander deed. Want een van de meest constante factoren uit de geschiedenis van Groningen is is de haat-liefdeverhouding tussen de stad en de ommelanden. Daarbij draaide het gewoonlijk om de handelsmonopolies en bijbehorende machtspositie. De stad had het stapelrecht op producten en goederen uit de Ommelanden, maar was tegelijk sterk van de omliggende gebieden afhankelijk. Wel kreeg de stad grote gebieden, zoals het Oldambt, onder directe controle, zodat haar rechtstreekse macht in de Ommelanden gaandeweg toenam. Waar mogelijk echter dwarsboomde de plattelandsadel de stadse machtspositie.
Het belangrijkste keerpunt was de tijd van de opstand tegen Spanje, waarin Groningen meerdere malen overliep of werd veroverd. De Reformatie verliep in Stad en Ommelanden dan ook langzaam. De geestelijken en de adel wachtten eerst maar eens rustig af welk van de partijen de overhand zou krijgen, en schoven zeer geleidelijk op richting het protestantisme. De religieuze praktijk in de zestiende eeuw was lange tijd een mengelmoes van Katholicisme, Lutheranisme en een beetje Calvinisme. Vanaf 1584 werd Groningen onderdeel van de Nederlanden en werd de blik meer op Holland en het calvinisme gericht.
De handelsbelangen als belangrijkste drijfveer achter belangrijke keuzen is de rode draad door de Groninger geschiedenis, wat veelal leidt tot de spreekwoordelijke Groninger gematigdheid en nuchterheid. Zo kregen zo'n tweehonderd jaar later de radicale patriotten eveneens nauwelijks voet aan de grond in Groningen.
Cultureel gezien was Groningen lange tijd voornamelijk Duits. De universiteit was in haar begintijd een voorpost van de Duitse academische wereld, en de beroemde Groninger 'orgeltuin' is grotendeels gebouwd door de Hamburger orgelbouwer Arp Schnitger en zijn nazaten. De grootste held uit de Groninger geschiedenis, Carl von Rabenhaupt, was ook een Duitser. Hij verdedigde Groningen in 1672 tegen de legers van de bisschop van Munster.

Stortvloed
Er was tot nu toe slechts één overzichtswerk over de geschiedenis van de provincie Groningen, namelijk de Historie van Groningen uit 1976 van W. J. Formsma. Waar dit werk vooral uitging van het perspectief van de provincie Groningen zoals we die nu kennen, wil dit nieuwe boek Groningen in een zo breed mogelijke context plaatsen. Daarbij is dit werk veel minder 'Hollandocentrisch'; Groningens geschiedenis blijkt minstens zo Duits te zijn als Hollands.
Geschiedenis van Groningen beslaat maar liefst drie delen, met diverse auteurs en is rijk geillustreerd. Deel 1 gaat tot aan de Middeleeuwen, deel twee over de moderne tijd, van rond 1500 tot 1798, en deel 3 over alles daarna.
De gedeelten over economie en ontwikkeling van het landschap, met de strijd tegen de zee en later de ontginning van de veengronden, zijn informatief en interessant.
Centraal staat echter de politieke ontwikkeling. Al deze verwikkelingen zijn ook zeer de moeite waard, maar met name bij gedeelten over politiek, oorlog en allerlei machtsverwikkelingen wordt er een waterval aan namen van stadhouders, edelmannen, hoofdmannen, drosten alsmede diverse soorten geestelijken uitgestort. Ook dwalen soms mysterieuze zinnen als 'de stadhouder kreeg nu de 24 keurbonen met de hoed onder zich en kon daarmee de raadskeurheren van de zwoorne meente benoemen', los door het boek.
Maar waar de auteurs met al die verwikkelingen nog best in slagen er een levendig verhaal van te maken, wordt dit teniet gedaan door de onmogelijkheid dit in een geografisch kader te plaatsen. Er staat niet een plattegrond in het boek, hooguit een paar historische kaartfragmenten. Het verhaal is daarom alleen goed te volgen voor wie uit het hoofd weet waar Appingedam, Winsum, Hunsingo, Fivelingo, Ten Post, Emden, Bellingwolde, Westerwolde en Farmsum en Lutjebroek liggen, of voor wie bereid is er regelmatig een atlas bij te pakken. Aardig voor de Groninger zelf, maar voor buitenstaanders schier onnavolgbaar.
Daarmee bevestigt Geschiedenis van Groningen wel enige clichés over Groningers en Groningen: stug, op zichzelf gericht en weinig toegankelijk. Maar bepaald niet kort van stof deze keer.

Geschiedenis van Groningen deel 2
nieuwe tijd
Gebonden 444 p.
Uitgeverij Waanders, Zwolle

Mosquito is belediging voor de burger

F*cking niet gepubliceerd. Wel een goed stuk

Meer dan honderd gemeenten gebruiken de Mosquito om jongeren door middel van ultrasone geluidstrillingen van bepaalde plaatsen te verjagen. Minister ter Horst wil geen uitspraak doen over de toelaatbaarheid. De lichamelijke integriteit is echter wel degelijk in het geding. Nog erger is dat de Mosquito de mens degradeert tot een stuk vee.

Kenmerkend voor de gemiddelde mens, inclusief jongeren, is dat hij in staat is een bordje 'verboden toegang' of 'verboden voor jongeren onder de 25' te lezen en in overweging te nemen. Dit bordje appeleert aan zijn verstandelijke vermogens en zijn menselijke vermogens om met deze mededeling op verantwoorde wijze om te gaan. En of er bij dat bordje verboden toegang nu buitensporige sancties aangekondigd staan als 'bij overtreding komt er een peloton ME met gummiknuppels' of er staat tien jaar gevangenisstraf op of de galg, dan nog is er dat keuzemoment om dit verbod te overtreden of niet.
Deze verantwoordelijkheid en mogelijkheid tot beoordeling maken dat mensen geoordeeld en indien nodig veroordeeld kunnen worden. Het is volgens de 19e-eeuwse filosoof Kierkegaard wat de mens onderscheidt van vee.
'Het begrip oordeel beantwoordt aan de enkeling, je beoordeelt niet en masse. (...) Op veel manieren kun je volk als vee behandelen, maar volk als vee beoordelen kun je niet want vee kun je niet oordelen', zegt Kierkegaard in zijn boek De ziekte tot de dood.
Het samenspel van keuzevrijheid, verantwoordelijkheid en het oordeel maakt ons tot burgers van een samenleving, en is een belangrijk deel van onze menselijkheid.
Vee heeft dit allemaal niet. Als een koe ergens niet mag komen heeft het geen zin om een bordje 'verboden voor koeien' neer te zetten. Het beest zal het geen moment in overweging nemen, zelfs niet als er de meest gruwelijke dreigementen bij staan. Hooguit kan de koe niet op exact dezelfde plaats gaan staan als het bord 'verboden voor koeien'. Daarom zetten we prikkeldraad om de plaats waar we geen koeien willen of een hek er voor.
De Mosquito gebruiken om mensen van een bepaalde plaats te weren is als het zetten van een prikkeldraadversperring voor mensen. In dit geval ook nog discriminerend prikkeldraad want het is alleen 'effectief' bij jongeren tot vijfentwintig jaar.
Bij een al dan niet letterlijike prikkeldraadversperring ontbreekt het keuzemoment, dit moment van bezinning, van reflectie over hoe de zaken er voor staan en hoe wij ons verhouden tot de wereld en of we het toegangsverbod respecteren of niet.
Een belangrijk deel van onze menselijkheid wordt geamputeerd wanneer er prikkeldraad wordt gezet rond onze keuzevrijheid en verantwoordelijkheid, wanneer we worden op- of buitengesloten in plaats van geoordeeld.
Een uitzondering vormt hierop de gevangenis, omdat hier mensen opgesloten zijn die hebben aangetoond niet met deze vrijheden om te kunnen gaan en die daarvoor van overheidswege veroordeeld zijn. Of mensen met stoornissen van psychische of geestelijke aard die niet zelfstandig kunnen functioneren en daarom hooguit onder begeleiding in het openbare leven komen.
Ook is het gebruik van de Mosquito niet hetzelfde als ergens een hek voor zetten. Een hek is vaak eerder een signaal dan een dwangmiddel. Een hek maakt zichtbaar dat bezoek niet welkom is of buitengesloten wordt. Bovendien, iemand die het besluit genomen heeft het hek over te willen lukt dat meestal wel, tenzij er 220 volt op staat of een soldaat met een geweer er voor. Maar als we daarin zijn beland ligt de democratische samenleving al ver achter ons.
Bij de Mosquito echter ben je niet of nauwelijks bewust van wat er gebeurt, zoals een koe niet beseft dat er prikkeldraad staat. De koe voelt slechts lichte pijn of irritatie en merkt dat ze er niet langs kan, maar ze zal dit niet kunnen verklaren. Bij gebruik van de Mosquito is de lichamelijke integriteit dus wel degelijk in het gedrang omdat het lichaam als drukmiddel wordt gebruikt in het maken van morele keuzen. En doordat het hier niet direct gaat om pijn, wat vergelijkbaar zou zijn met een groot hek, doch slechts om een soort 'jeuk' aan het gehoor of een toenemende irritatie, oefent de Mosquito een nauwelijks waarneembare en daardoor des te effectievere dwang uit.
Gemeenten die op deze manier de openbare orde willen bewaken stralen grote minachting uit richting hun ingezetenen en beledigen de burger. En ten laatste leren diverse geschiedenissen ons dat waar prikkeldraad wordt gebruikt om mensen ergens of binnen of buiten te houden, dit vaak eindigt in ontmenselijking op grote schaal.

Hoogleraren in opstand

Nederland is een kenniseconomie, zegt de regering.
Daarvoor moet kennis efficiënt worden geproduceerd, wordt kennis gezien als een verhandelbaar product en worden de kennisproducenten onder een strak managersregime geplaatst.
De producenten van deze kennis, de hoogleraren aan de universiteiten, komen in opstand.

'Goed onderwijs is onderwijs dat tot studiepunten leidt' zegt een bestuursvoorzitter van een gerenommeerde universiteit.
Universiteiten worden betaald naar hun output; voor ieder studiepunt wordt een bepaald bedrag betaald. Deze outputcijfers zeggen echter niets over de kwaliteit van het onderwijs. Het kan evengoed betekenen dat het niveau wordt verlaagd om het aantal behaalde studiepunten te verhogen.
Het universitair onderwijs zit vol met dergelijke misleidende paradoxen. Allemaal zijn ze bedoeld om de onderzoeks- onderwijs resultaten die worden behaald op de universiteiten om te zetten in keiharde cijfers, en vervolgens in klinkende munt.
Recent verschenen twee boeken over de gevolgen van de vermarkting van kennis. Het ene boek is een verzameling essays onder de titel If you are so smart, why aren't you rich?, bijeengebracht door de Amsterdamse hoogleraar geschiedfilosofie Chris Lorenz. Het andere is een pamflet van de Groningse filosoof René Boomkens, getiteld Topkitsch en slow science. Kritiek van de academische rede. Het omslag wordt gesierd door een grote tuinkabouter met een hooglerarenbaret op zijn hoofd. Kitsch ten top, symbool voor de holle termen en gebakken lucht die wordt verkocht als kenniseconomie. Maar ook symbool voor de kwaadaardige managementkabouters die tot in alle hoeken van de heilige grond van de academies zijn doorgedrongen, en daar hun verderfelijke ideeën hebben geplant en laten woekeren.


In alle opstellen komen ongeveer dezelfde klachten naar voren. De mensen van de werkvloer, de professoren en universitair docenten, hebben niets meer te zeggen in wat ooit hun domein was. Beleid en grotendeels de werkwijze worden bepaald door procesmanagers.
Zo werd de afgelopen jaren eerst het Engels-Amerikaanse Bachelor-Mastersysteem (BaMa) ingevoerd, en kort daarna het minor-majorsysteem. De driejarige Bachelor zou als volwaardige opleiding gelden, vergelijkbaar met een HBO-opleiding. Of het bedrijfsleven daarop zat te wachten is echter nooit serieus onderzocht, en na enige jaren praktijkervaring met de bachelor blijkt dit ideaal grotendeels een wassen neus.
Om de Nederlandse universiteiten een internationale uitstraling te geven en buitenlandse studenten te trekken, wordt steeds meer het Engels als voertaal ingevoerd. Dit levert veel colleges en artikelen op in een soort steenkolenengels ofwel het Dunglish. Een ander gevaar van Engels als voertaal is dat het gemakkelijk leidt tot een Angelsaksische overheersing in met name de geesteswetenschappen. Veel bronnen zijn hier in het Frans of Duits, maar wanneer die talen uit de markt worden geprezen is het zeer waarschijnlijk dat ook deze bronnen langzaam zullen verdwijnen uit de discussies.

De eisen waar het wetenschappelijk personeel aan moet voldoen zijn compleet ontsproten aan de managementbreinen. Zo veel mogelijk artikelen in gerenommeerde tijdschriften, met als belangrijkste criteria de 'output' en de citatie-indexen. Alles bedoeld om het beeld van een topuniversiteit waar toponderzoek wordt gedaan neer te zetten.
Door de druk om artikelen te publiceren voor veel wetenschappers geen tijd meer om ook eens een boek te schrijven, of deel te nemen aan maatschappelijke debatten.
Kenniseconomie zelf is ook een paradoxale term. Alle betrokkenen zijn het er over eens: op de universiteit wordt de kennis niet verworven onder druk van productie-eisen, maar in de ruimte van het vrijblijvend kunnen denken en experimenteren. 'Geen enkele prestatie van blijvende betekenis is ooit volgens plan volbracht,' zegt natuurwetenschapper Vincent Icke. Als Einstein tevoren financiering zou hebben aangevraagd voor onderzoek naar de relativiteitstheorie zou hij zijn weggehoond.
Wetenschappelijke kennis van grote waarde wordt meestal tot stand gebracht door mensen die zich hebben verslingerd aan hun snaartheorie of toewijding aan hun archeologische vondsten. Zonder zich al te zeer te bekommeren om de efficiëntie of het de eerstvolgende publicatie. Hogere nutteloosheid noemt Boomkens dit. 'Niet beheersing en controle, maar een aan het mimetisch vermogen grenzende identificatie van waarheid en schoonheid staat hier voorop.'
Maar het schijnt bij het moderne leven te horen dat alle risico moeten worden uitgebannen en de uitkomst van tevoren vast moet staan.
Ad Verbrugge betoogt hoe de universiteit gedwongen door de democratiseringsgolf haar oriëntatie op de hogere cultuur en het Bildungsideaal losliet en daarmee haar fundamentele legitimatie. Was de universiteit en het academisch denken ooit zichzelf genoeg, vanaf dat moment moest zij zich verantwoorden aan een technisch en economisch gelegitimeerd nutsdenken. Kennis moet maatschappelijk relevant zijn en inzichtelijk voor iedereen. Zo wordt rationaliteit verward met verrekenbaarheid en wordt kennis inderdaad koopwaar.
Volgens filosoof Herman Philipse is waarheidsvinding alleen binnen de universiteit een doel op zichzelf. Buiten de academische wereld staat de waarheid altijd in dienst van iets anders, zoals de economie, de politiek of het algemeen geluk. Wanneer die externe doelen binnen de muren van de universiteit een factor van belang worden, is de waarheidsvinding niet meer onafhankelijk en verliest de universiteit haar intrinsieke legitimatie.

Beide boeken ruiken wel enigszins naar spruitjes. De auteurs lijken wetenschappers, en daarmee zichzelf, te beschouwen als engelen die een hoog en heilig doel nastreven, namelijk de zuivere wetenschap. Ontdaan van alle verder belangen en ander slijk.
Het blijft ook onduidelijk wat de auteurs wel zouden willen, behalve dat vroeger alles veel beter was. Toen de universiteit nog elitair was, toen al die internationaliseringsfratsen er nog niet waren, toen de hoogleraren het nog voor het zeggen hadden.
Nederland wordt echter al sinds de 17e eeuw geroemd om het feit dat bijna iedereen wel enige opleiding genoten heeft. De grote toegankelijkheid van het onderwijs is een van onze grootste verworvenheden. En ja, dat gaat misschien wel samen met nivellering en middelmaat. De kitsch ontstaat door het fanatieke streven om toch zo graag top te willen zijn, zonder te zien dat een dergelijk streven ontaardt in zijn tegendeel, namelijk meer middelmaat.


Opmerkelijk is dat beide boeken verschijnen terwijl wij zitten in de rommel van zo'n andere zeepbel die recent met veel geweld uiteen spatte, namelijk de financiële, concludeert filosoof Ad Verbrugge. Ook daar was een compleet eigen wereld geschapen, met een eigen taal en onbegrijpelijke constructies. Dit alles bedacht door experts in gebakken lucht die nauwelijks voeling hadden met reële economie, laat staan met de gewone mensenmaatschappij.
Zoals de financieel experts het contact kwijt raakten met de wereld die hun bestaansrecht gaf en die zij zouden moeten dienen, namelijk de wereld waarin mensen kopen en verkopen, werken en een bestaan verdienen, zo lijken de huidige universitaire bestuurders het contact met hun habitat, de wetenschap, kwijt te zijn geraakt.
En zo blijkt eens te meer: Als alles verhandelbaar moet worden, wordt uiteindelijk alles waardeloos.

Giftige grond

Journalist Roberto Saviano infiltreerde in de Napolitaanse maffia en schreef er een boek over. Nu leeft hij ondergedoken en permanent bewaakt. De maffiabosses zouden zijn bloed graag drinken.

Van de maffia is in brede kring niet veel meer bekend dan wat wordt getoond in films en series als The Godfather, Scarface en The Sopranos.
Vijf jaar lang infiltreerde Roberto Saviano in de Napolitaanse maffia. Hij werkte in kledingmagazijnen van de camorra, raakte met verschillende maffiosi bevriend, ging met ze op stap en was vaak als eerste aanwezig als er iets als een overval of moord plaatsvond. Hij bracht zo de hele werkwijze van de camorra gedetailleerd in kaart en rekende genadeloos af met elke zweem van romantiek die ook maar rond de maffia hangt. Want de maffia heeft niets romantisch. De maffia is misdaad, drugshandel, afpersing en grof geweld.
Ruim 700.000 exemplaren werden al in Italië verkocht. Saviano is nu gevangene van zijn boek. Hij leeft leeft ondergedoken en heeft permanent bewakers om zich heen. In zijn boek staan verscheidene manieren beschreven waarop ook hij wreed vermoord zou kunnen worden. Een nekschot of wurging voor gewone liquidaties, maar ook het afhakken van ledematen en levend verbranden van verraders komen voor. Ieder 'misdrijf' tegen de maffia kent zijn eigen symbolische vergelding, en de maffia vergeet nooit iets.

Woede
Woede dreef hem, zegt Saviano, afgestudeerd filosoof. Een man van zijn leeftijd heeft weinig keus: weggaan uit de streek, in het leger of onderdeel worden van het systeem.
De Napolitaanse maffia is volgens Saviano de grootste misdaadorganisatie van Europa, Vijf maal zo groot als de veel bekendere Cosa Nostra van Sicilië, en acht keer de Calabrese maffia 'ndranghetta.
Haar kracht is haar flexibiliteit. Clans zijn niet meer georganiseerd in macrostructuren met vaste verbonden, maar zijn veeleer businessteams die snel geld moeten omzetten, gepaard met veel geweld en corruptie. De moderne maffia wil alle segmenten van de markt beheersen, zonder enige remming. Maar ook zo snel mogelijk. De moderne maffiabaas heeft economie of rechten gestudeerd en heeft geen tijd meer om zich door de hiërarchie omhoog te werken. Ook de aloude afpersing en andere buurtcriminaliteit is inmiddels ouderwets en de werkwijze van schooierachtige clans die niet in staat zijn een fatsoenlijke onderneming op te zetten.
Maar de belangrijkste peiler is de handel in heroïne en cocaïne. Experimenten om de drugs op de juiste sterkte te brengen worden uitgevoerd op de plaatselijke verslaafden, waarbij niet op een dode meer of minder wordt gekeken.
Saviano waarschuwt ook Nederland. Door het liberale softdrugsbeleid en geringe controle wordt via Nederland veel drugs verhandeld naar heel Europa. Drugsgeld wordt witgewassen in de bouw en de horeca. Zo zorgt de camorra ook hier met crimineel geld voor werkgelegenheid en groei.

Beton
Vaak hebben dorpen, clans of families hun eigen specialiteit. Zo zijn de maffiosi uit het beruchte dorp Casal di Principe actief in de wereldwijde wapenhandel. Breekt er ergens een oorlog uit in de wereld, dan staan de Casalezen klaar om de strijdende partijen van wapens te voorzien, vaak vervoerd in schepen met bouwmateriaal of beton.
Want de Napolitaanse maffia is gegoten in beton. Zo staat Casal di Principe vol bouwbedrijven. Het is het eenvoudigste vak om snel rijk mee te worden, vertrouwen te winnen, snel banen te scheppen in verkiezingstijd en je eigen mythe creëren door grote villa's en gevels neer te zetten. Inschrijvingen en aanbestedingen, bebouwbare grond vinden, volbouwen en vele malen duurder verkopen leveren snel geld op. Beton is de olie van het zuiden, aldus Saviano.
Een andere belangrijke peiler is het monopolie op de vuilnisverwerking. Voor veel lagere prijzen dan de reguliere verwijdert de camorra bij bedrijven het afval, om het op grote stortplaatsen of ondergronds in Zuid-Italië te dumpen. Zware metalen, giftige stoffen en afgedankte elektronica wordt tezamen verbrand, vermengd met compost of verwerkt tot kunstmest. Of het sijpelt met de regen de grond in vergiftigt langzaam de bodem. Giftige kunstmest of compost wordt elders weer gebruikt en zo verspreidt het gif zich door de streek en het land.

Verzet
De filmromantiek dringt wel de maffia binnen. Maffiosi gedragen zich als de filmsterren wier voorbeeld zij juist geacht worden te zijn. 'Sinds Tarantino zijn ze opgehouden behoorlijk te schieten', verzuchtte een maffia-veteraan over zijn jongere collega's. Ook nieuwe uitdrukkingen en kledinggewoonten worden zo overgenomen uit de bekende maffiafilms.
Soms komt er verzet. Zoals van de priester Dom Peppino Diana. Hij schreef een vlammende tekst tegen de maffia, getiteld Uit liefde voor mijn volk zal ik niet zwijgen. Hij weigerde maffiosi te trouwen en hun kinderen te dopen. Hij trok de vroomheid van de bosses in twijfel. Want ook geloof en misdaad staan dicht bij elkaar in de camorra. Inwijding van maffiosi gebeurt met bloed, vuur en een Mariabeeldje. De moorden zullen om Christus' wil worden vergeven als ze een hoger doel dienen. Camorrabosses beschouwen hun werk als een beproeving. Ze nemen de pijn en het gewicht van zonde van hun ondergeschikten op zich.
Dom Peppino vergeleek de omgeving van Napels met Sodom en Gomorra, waar eerst de maatschappij vergiftigd werd en later de zee die haar overspoelde.
Hij werd in maart 1994 vermoord. Zijn optreden is het enige dat daadwerkelijk helpt, volgens Saviano. 'Woorden tegen betonmolens en geweren. Aangifte doen, getuigen, er zijn. Het woord met zijn enige wapenrusting: het uit te spreken. Een woord dat wachter is, getuige, de waarheid die altijd sporen achterlaat. Een woord dat je alleen maar uit kunt roeien door het te vermoorden.'



Gomorra, Roberto Saviano. Rothschild & Bach, augustus 2008.

De verfilming won diverse prijzen in op de filmfestivals van Cannes en Kopenhagen en gaat in januari in première.

Geloof is niet voor de massamens

Om goed te kunnen schipperen heb je een enorme karaktervastheid nodig, zei schrijver Koos van Zomeren ooit. Het zou zomaar als motto boven Kierkegaards boek De ziekte tot de dood kunnen staan.
Soren Kierkegaard (1813-1855), een van de eerste existentialistisch filosofen, ziet zowel het leven als de mens zelf als dialectische tegenstellingen. De mens wordt heen en weer geslingerd tussen oneindigheid en eindigheid, het tijdelijke en het eeuwige, vrijheid en noodzakelijkheid, ratio en emotie, maar hij is daar zelf ook de synthese van.
Wanneer deze synthese of balans verstoord wordt, is er sprake van vertwijfeling. Vertwijfeling heeft te maken met bewustzijn van de eeuwigheid en het bewustzijn van het zelf van zichzelf. Het is iets anders dan twijfel; dat is rationeel en heeft slechts te maken met het denken en met het eindige.
Kierkegaard leefde zelf altijd op de rand van vertwijfeling of daar overheen.
De ziekte tot de dood werd later een belangrijke inspiratiebron voor dialectisch theologen als Barth en Brunner en existentiefilosofen als Nietzsche, Jaspers, Sartre en Heidegger.

Geestelijke ontreddering
Vertwijfeling is een gevaarlijke toestand van geestelijke ontreddering, en toch kan het je redden. Het is een ziekte waar iedereen eens doorheen moet om bij zichzelf te komen, zegt Kierkegaard. Lijden aan vertwijfeling is echter niet treurig maar verheffend omdat het voortkomt uit de hoogste eis die aan de mens gesteld is, namelijk geest te zijn. Het lijden aan vertwijfeling is het voorrecht van de mens boven het dier. Vertwijfeling leidt tot zelfkennis en “zelfkennis leert een mens in zijn verhouding tot iedere enkeling altijd even deemoedig te zijn als trots.” Het leert hem om zichzelf genoeg te zijn.
Wie de noodzakelijke stem van de vertwijfeling in zichzelf doodslaat of negeert, moet zichzelf onderzoeken en zich afvragen welke vorm van vertwijfeling hem getroffen heeft. Want ook dat wordt breed uitgemeten: de vertwijfeling slaat dikwijls het hardst toe bij diegenen die er het minste last van lijken te hebben.
Kierkegaard onderscheidt verschillende vormen van vertwijfeling: de onbewuste vertwijfeling van de geesteloosheid, de passieve van het vertwijfeld niet jezelf willen zijn en de actieve van het juist jezelf willen zijn.
De onmiddellijke mens, noemt Kierkegaard de mens die zich stort op zijn omgeving of op het materiële, en die daarmee wegvlucht van zichzelf.
In deze tijd zou Kierkegaard vermoedelijk zeggen dat de paniek op de beurzen, verdampende spaartegoeden en de ontreddering en vertwijfeling die daar het gevolg van zijn, voortkomen uit het bouwen op schijnzekerheden en het vertwijfeld wegvluchten door de mens van zichzelf. De crisis en paniek zijn echter niet de oorzaak van de vertwijfeling, maar brengen de reeds aanwezige vertwijfeling aan het licht.
Maar ook het tegendeel van deze onmiddellijke mens, de gesloten mens die het liefst de eenzaamheid zoekt en die zich verre houdt van al deze drukdoenerij, verkeert in ernstige vertwijfeling. Zonder zich uit te spreken 'marcheert hij op de plaats', hij blijft rondjes draaien in zijn ergernis over de wereld. Ook hij wil vertwijfeld niet zichzelf zijn. Hier waarschuwt Kierkegaard voor de zelfmoord als uiterste uitweg.
In beide gevallen zal een vertwijfelde in eerste instantie over iets, een ding of een toestand, vertwijfeld raken, maar daarna over zichzelf. “Als bijvoorbeeld een heerszuchtig mens de leus 'of Caesar, of helemaal niets' hanteert en dan geen Caesar wordt, dan zal hij in vertwijfeling raken omdat hij nu niet meer kan verdragen zichzelf te zijn”, zegt Kierkegaard.

Menselijk kaartenhuis
Maar het is allemaal weinig opzienbarend, zegt Kierkegaard zelf sarcastisch, want “aan een mens die zichzelf kwijt raakt is vaak weinig te merken. Hij kan ogenschijnlijk mens zijn, bezig met het tijdelijke, trouwen, kinderen krijgen, geëerd zijn en in aanzien – en misschien is het in diepere zin niet te merken dat hij een zelf mist. Over zoiets wordt in de wereld weinig ophef gemaakt; want een zelf is iets waar in de wereld het minst naar gevraagd wordt, en het is gevaarlijker dan wat ook als je laat blijken dat je het hebt.”
Tegenover het verliezen van het zelf staat de actieve vertwijfeling van het vertwijfeld jezelf willen zijn. Hierbij is sprake van een oneindig zelfbewustzijn dat geen macht boven zich erkent. Hierbij onderscheidt Kierkegaard twee vormen: het handelend zelf en het lijdend zelf.
Het handelend zelf stelt zichzelf de wet en wil zichzelf steeds opnieuw uitvinden. Maar juist dit zichzelf steeds opnieuw uitvinden van zichzelf zorgt dat er geen zelf overblijft, en als hier de vertwijfeling toeslaat zal dit kaartenhuis roemloos ineen zakken.
Het lijdend zelf neemt zijn lijden op zich, maar koestert zijn 'doorn in het vlees' en wil daarvan ook niet verlost worden. Het vindt zijn zelf in het lijden en beroemd zich daarop.
In alle gevallen is de vertwijfeling een vlucht, een vlucht voor het zelf, een vlucht voor het absolute en ten diepste een vertwijfelde vlucht voor God.

Tegen het verburgerlijkte christendom
Want naast filosoof is Kierkegaard vooral de dominee, die niet ophoudt met zijn pogingen om het christendom van zijn tijd wakker te schudden. Kierkegaard wil het christendom in zijn idealiteit te beschrijven, schreef hij later in zijn dagboek.
Het geloof is niet gebaseerd op een ethische code of een verzameling regels van goed gedrag. Dat is de ethiek die alles en iedereen gelijk wil trekken. In het geloof staat juist de enkeling tegenover God, omdat die hem beoordeelt.
Juist het oordeel maakt de mens tot individu en brengt het bij zichzelf. Omdat de vertwijfeling het zelf juist bij zichzelf vandaan voert is de vertwijfeling zonde.
Het tegenovergestelde van zonde is niet deugd maar geloof. Geloof is dat het zelf zich in het zichzelf willen zijn doorzichtig grondt in God, de vertwijfeling voorbij. Christelijk geloof maakt van ieder mens een enkeling en zegt dan of dat je moet geloven in de zonde en de vergeving van zonden, of je moet ergeren. En het is deze ergernis die de grootste zonde is, de zonde tegen de Heilige Geest.
Maar juist het oordeel verheft de mens. Het christendom wil de mens door het geloof tot iets buitengewoons maken. Bij Kierkegaard is geloof niet voor de massa.

Verleden van Nederland

Weer een canon van de geschiedenis, dacht ik, houdt dat dan nooit op? Sinds het verschijnen van de officiële canon der Nederlandse geschiedenis, met de vijftig vensters, zijn canons bij bosjes opgeschoten. Maar het is geen canon, het is een verhaal dat de feiten van de canon in een samenhang probeert te plaatsen.
De officiële canon bevat te veel ankerpunten en te weinig verhaal en samenhang, aldus medeauteur Piet de Rooy in een interview. De ankerpunten zijn daarbij ook nog eens te veel de geschiedenis vanuit de blanke mannen gezien. Verleden van Nederland is daarom vooral een doorlopend verhaal, met nadruk op grote lijnen en verbanden. Hierbij passeren nu en dan analyses over de Nederlander en zijn identiteit, waarin kernwaaarden als gematigdheid, vredelievendheid en tolerantie de boventoon voeren. Maar ook breuken en discontinuïteiten in de geschiedenis worden niet geschuwd in het boek, evenals de nare trekjes van ‘de Nederlander’.

Sinterklaas
Een canon zegt minstens zo veel over de tijd waarin hij geschreven wordt als over zijn onderwerp, de geschiedenis of het verleden.
Een diepgeworteld idee is dat de tegenwoordige identiteit rust op de geschiedenis. Dat is ook juist maar het is een deel van het verhaal. Het verleden wordt evenzeer ingekleurd door de tegenwoordige tijd en haar ideeën. Een historicus moet van hele goeden huize komen wil hij aan neutrale geschiedschrijving doen. Het siert de auteurs van Verleden van Nederland dat ze daar ronduit voor uitkomen .
Een heel praktisch voorbeeld is de ruim anderhalve pagina die wordt besteed aan het verbod op het Sinterklaasfeest dat rond 1660 door orthodox-calvinistische predikanten werd geëist.. Meteen galmt de stem van Rita Verdonk door mijn achterhoofd: “en ze willen nu ook nog het Sinterkláásfeest afschaffen.” Niet voor het eerst dus.
Maar ook op een wat dieper niveau lijken de auteurs zich te keren tegen de heldenverering en het zoeken naar heroïek van de laatste tijd. Veel wordt gerelativeerd of in een bredere historische tendens geplaatst waardoor de scherpe randjes er af gaan.
Wij stammen niet af van de Friezen en de Bataven, wordt nadrukkelijk vermeld bij de Friese en Bataafse opstanden tegen de Romeinen.
De opstand tegen de koning van Hispanje kwam niet voort een plotseling opkomend verlangen naar vrijheid van godsdienst of eigen bestuur. De opstand paste in een eeuwenoude traditie waarin vorsten door hun onderdanen, hun feodale clientèle of de steden, ter verantwoording werden geroepen, vaak over belastingen of bestuurlijke zaken.
En dan de mythe van de VOC-mentaliteit, waar van overheidswege zo graag op gewezen wordt. Economisch gezien was de VOC inderdaad behoorlijk succesvol, maar dat ging vaak gepaard met grof geweld. De Nederlandse vredelievendheid en gematigdheid werd voornamelijk in eigen land aangetroffen, buiten de grenzen en op zee was alles toegestaan. De Nederlandse ontdekkingsreizigers, kooplui en kolonisatoren kwamen in ‘de Oost’ ook niet zomaar in een achterlijke rimboe terecht. Vooral de Chinezen hadden daar al een uitgebreid handelsnetwerk. En ja, Nederland heeft daar veel gebracht aan ontwikkeling in gezondheidszorg, onderwijs en infrastructuur, maar tezamen met tomeloos geweld en onderdrukking.
Daarbij waren de veelgeroemde Jongens van Jan de Witt, die jongens die met hun blote handen de oceaan overstaken, voor minstens de helft buitenlanders, gelukzoekers of op de vlucht voor koningen of justitie. Uitschot, tuig, rapalje, bijeengehouden door een keiharde kadaverdiscline. Maar dat mocht ook wel want het was een vreselijke reis. De sterfte op de schepen was enorm en voor flinke muiterij was maar een heel klein vonkje in het kruitvat nodig. .
Dat wisten we allang natuurlijk, maar de nadruk die er telkens op wordt gelegd is een relativering van de roep om een duidelijke historische identiteit, en een doorlopende waarschuwing tegen borstklopperij. Nederlanders waren de eeuwen door vooral geïnteresseerd in geld verdienen, en ze waren daar ook erg goed in.
Dit relativeren gaat soms ten koste van de duidelijkheid. Verschillende malen blijven de ankerpunten of de hoofdrolspelers achterwege of worden ze ergens achter in een bijzin genoemd. Zo had vermeld mogen worden dat kroonprins Willem met zijn bataljon Nederlanders best een belangrijke rol speelde in de slag bij Waterloo, zij het dat we tot op heden niet precies weten hoe. Geen woord er over.
Of de roemruchte Friese Koning Radboud, die al met zijn grote teen in het doopwater stond maar deze terugtrok toen hij hoorde dat hij dan wel naar de hemel zou gaan, maar dat zijn voorouders voor eeuwig in de verdoemenis zouden blijven. Grutte Pier daarentegen krijgt als opstandelingenleider wel een aparte vermelding.

Cijfermaniak
Het boek is in een uitstekend leesbare stijl geschreven. Aan het begin van ieder hoofdstuk staat een overzicht met de belangrijkste gebeurtenissen van de besproken periode. Het is grotendeels strak chronologisch geschreven. Alleen in het laatste hoofdstuk, over de periode na de Tweede Wereldoorlog tot nu, wordt het verhaal te complex om de tijd als ordenend principe te kunnen handhaven. Daarnaast is het rijk geïllustreerd met tekeningen, schilderijen, tekstfragmenten en landkaarten.
Helemaal consistent is het allemaal niet. Waar de periode van de Gouden Eeuw in grote lijnen uiteen wordt gezet zonder al te veel op de economische feiten in te gaan, toont de auteur van de laatste hoofdstukken zich een ware cijfermaniak. En waar godsdienstige motieven in de 16e en 17e eeuw vaak als ingegeven door economische of politieke motieven worden afgedaan, is de godsdienst in de meer bevindelijke 18e en 19e eeuw wèl relevant als historisch motief an sich.
Met informatie over de laatste twintig jaar is Verleden van Nederland zuinig. Die periode is ook nog veel te vers voor een goede historische analyse, maar iets meer had toch wel gemogen. Nu blijft het bij de val van Srebrenica, de discussie over de multiculturele samenleving, en het eindigt met de moord op Pim Fortuyn. De val van de muur en het bijbehorende optimisme, de privatisering van de overheidssector en de introductie van het totaalkapitalisme, de overgang van verzorgingsstaat naar verzekeringsmaatschappij onder Balkenende en Zalm, het had even genoemd mogen worden.

Ware held
Een vriendelijk historisch beeld rijst wel op uit Canon met de kleine c, een boek met vijftig verhalen en liederen die elk te maken hebben met een venster uit de Canon.
Het verhaal van de Drentse heidereuzen Ellert en Brammert, Karel ende Elegast, de dienstmeid die Karel V een bierpul met vier oren geeft, het spookschip ‘De Vliegende Hollander’, de sketch ‘Do ist der Bahnhof’. Het zijn verhalen met geen of een onduidelijk waarheidsgehalte, maar ze geven de geschiedenis kleur. Ze laten vaak beter de dubbelzinnigheid van geschiedenis zien dan de officiële verhalen. Zo kunnen we tientallen keren uitleggen dat het onderscheid tussen ‘goed’ en ‘fout’ niet altijd even duidelijk is, maar niets illustreert dat beter dan Arie Temmes, typetje van ‘Koot en Bie’, die zich tientallen jaren na de oorlog nog afvraagt of hij de nu een goede of kwade daad heeft gedaan door een Duitse soldaat op weg naar het station de verkeerde kant op te sturen.
De verhalen mogen dan misschien niet exact zo gegaan zijn, ze behoren zeker tot ons collectieve geheugen. En het maakt Arie Temmes, met zijn impulsieve daad en jarenlange twijfel of hij er nu wel of geen goed aan gedaan had misschien wel tot de ware Nederlandse held.

Geert Mak, Jan Bank, Gijsbert van Es, Piet de Rooy, René van Stipriaan, Verleden van Nederland, Uitg Atlas.

Verleden van Nederland, achtdelige documentaireserie, NPS/VPRO Nederland 2. Vanaf 12 oktober 2008, 20.15 uur

www.verledenvannederland.nl

Theo Meder, Ruben A. Koman, Gerard Rooijakkers, Canon met een kleine c,. 50 verhalen en liederen bij de canon van Nederland, Uitg. Profiel